Klassieke Astrologie
De Tetrabiblos van Klaudios Ptolomaios 

PicoSearch      
  Help
                                                 

 

Menu Klassieke
Astrologie

 

Homepagina


Klassieke Astrologie

 

Kontakt

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Klassiek >   tetra1_4.html

 

 

De Tetrabiblos van Klaudios Ptolomaios, Boek-1, Hoofdstuk 4
De invloed van de planetaire sferen


De Zon blijkt een hitte verwekkende en gematigde uitdrogende invloed uit te oefenen. Zijn grootte en de veranderingen die hij zo duidelijk veroorzaakt in de seizoenen, maakt zijn macht veel duidelijker waarneembaar dan die van de andere hemellichamen. Dit komt mede aangezien zijn nadering naar het Zenit (het hoogste punt in de hemel) op elk deel van de Aarde een grotere mate van hitte veroorzaakt in dat betreffende deel en naar verhouding de inwoners ervan beheerst.

 

De Maan wekt voornamelijk vochtigheid op; haar nabijheid tot de Aarde maakt haar in hoge mate geschikt voor het opwekken van vochtige dampen en hiermee op gevoelige wijze inwerkend op dierlijke lichamen door loslating en verrotting. Zij heeft echter ook een gematigd aandeel in de vorming van warmte, als gevolg van de verlichting1 die zij ontvangt van de Zon (door de schijngestalten).

 

Saturnus veroorzaakt koude en droogte want hij staat het verst af van de hitte van de Zon en van de Aardse dampen. Hij is echter meer effectief in de productie van koude dan van droogte. En hij en de rest van de planeten ontlenen hun energie van de posities die zij hebben met betrekking tot de Zon en de Maan en zij blijken allemaal op verschillende wijzen de toestand van de (Aardse) atmosfeer te veranderen

 

Mars veroorzaakt voornamelijk droogte en is ook in sterke mate hitteverwekkend als gevolg van zijn eigen vurige aard, die wordt aangegeven door zijn kleur en als gevolg van zijn nabijheid tot de Zon, wiens sfeer onmiddellijk lager ligt (dan die van Mars).

 

Jupiter draait rond in een tussensfeer tussen de extreme koude van Saturnus en de brandende hitte van Mars en heeft als gevolg hiervan een gematigde invloed. Daarom produceert hij tegelijkertijd zowel warmte als vochtigheid. Maar als gevolg van de sferen van de Zon en Mars die direct onder hem liggen, is zijn warmte overheersend en vandaar dat hij vruchtbare winden voortbrengt.

 

Aan Venus behoren eveneens dezelfde gematigde invloeden, hoewel deze juist omgekeerd bestaan, aangezien de warmte die zij produceert door haar nabijheid tot de Zon niet zo groot is als de vochtigheid die zij opwekt door de grootte van haar licht (schijngestalten) en doordat zij de vochtige dampen van de Aarde in zich opneemt, op zelfde wijze als ook de Maan doet.2

 

Mercurius veroorzaakt soms droogte en op andere tijden weer vochtigheid en dat met dezelfde mate van energie. Zij vermogen om vocht te absorberen en droogte te veroorzaken komt voort uit zijn positie met betrekking tot de Zon, waarvandaan hij nooit ver is verwijderd in lengte. Aan de andere kant veroorzaakt hij vochtigheid, omdat hij grenst aan de sfeer van de Maan die het dichtst bij de Aarde staat. En op die manier wordt hij geprikkeld door de snelheid van zijn beweging rond de Zon en als gevolg daarvan veroorzaakt hij snelle veranderingen die wisselen tussen de beide kwaliteiten (droogte en vocht).

 

 

 

 

_________________________________ voetnoten door J. Ligteneigen

 

1. Hiermee wordt waarschijnlijk bedoeld de wisselende verlichting als gevolg van de continu wisselende fasen waarin de Maan zich bevindt.

 

2. Volgens Ptolemeus hebben de planeten de volgende werking, gebaseerd op de principes van Aristoteles: warm/koud en droog/vochtig:

    De balans komt hiermee op 5x warm, 1x koud, 3x droog, 3x vochtig en 1 keer wisselend

Zon Warm en droog
Maan Warm en vochtig
Mercurius Wisselend
Venus Warm en vochtig
Mars Warm en droog
Jupiter Warm en vochtig
Saturnus Koud en droog

 

In de Renaissanceperiode komt er een kentering van deze kwalificaties. De grote Franse astroloog Jean-Baptiste Morin (Astrologia Gallica, Book-18: The Strength of the Planets, ca. 1550)) komt tot de volgende, nauwkeurige vaststelling op basis van een puntenwaardering van 0 tot 5:

 

Planeet Heet Koud Vochtig Droog Totaal
Zon 5,5 - - 2 7,5
Maan - 5 6 - 11
Mercurius - 1,5 - 1 2,5
Venus 0,5 - 4 - 4,5
Mars 2,5 - - 3 5,5
Jupiter 1,5 - - 1 2,5
Saturnus - 3,5 - 3 6,5
Totaal 10 10 10 10 40

 

De Maan verliest dus haar warmte en krijgt maar liefst 5 punten koude toegewezen. Zij is ook de meeste "extreme planeet" met 11 kwalificaties.

Mercurius verliest zijn dubbelfunctie grotendeels en krijgt de magere 1,5 en 1 voor respectievelijk koude en droogte.

Venus blijft nog een héél klein beetje warm met 0,5 punt en is voornamelijk flink vochtig.

Jupiter is niet meer vochtig, maar juist droog met 1 punt.

 

Zon en Maan blijven de boventoon voeren met de meeste kwalificaties.

Merk tevens op dat alle kwalificaties precies met elkaar in evenwicht zijn, allen met 10 punten.

 

Abu Ma'shar (The Abbrevation of the Introduction to Astrology, ca. 860 n.Chr.) geeft de volgende kwalificaties:

 

Zon Warm en droog
Maan Koud en vochtig
Mercurius Wisselend
Venus Koud en vochtig
Mars Warm en droog
Jupiter Warm en vochtig
Saturnus Koud en Droog

 

In de verdeling van Abu Ma'shar krijgen wij dan: 3x warm, 3x koud, 3x droog, 3x vochtig en 1x wisselend, ook hier een perfecte afstemming tussen de aard van alle planeten.

 

 

Het wereldbeeld volgens Ptolemeus

 

    Het wereldbeeld volgens Ptolemeus.  

 

Van buiten naar binnen zien wij achtereenvolgens de sfeer van de Vaste Sterren tegen de achtergrond van de dierenriemtekens, de baan van Saturnus, Jupiter, Mars, Zon, Venus, Mercurius en de Maan.

De Aarde bevindt zich in het centrum (het Geocentrische wereldbeeld volgens Plato, Aristoteles en de vele volgers na hen).

 

 

 

Start pagina: 5 februari 2008, © J. Ligteneigen

 

 

 

 

     

 

 

       

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

______________________________________________

Pagina voor het laatst bewerkt op / Page maintained on:   02/07/2023